Daar liep ze weer. Over het pad waar ze al vele keren had gewandeld. Op weg naar haar doel. Met een emmertje en een doekje. Ze kwam hier niet vaak meer. Nog maar een paar keer per jaar. Meestal met bloemen maar zeker 1 keer per jaar met een emmertje en een doekje.
Er waren wat details veranderd. De struiken tussen de paden waren gegroeid. Eerst kon ze haar eindbestemming al zien als ze aan kwam wandelen. Maar nu had ze dit uitzicht niet. Het gaf haar een onrustig gevoel. Haar stappen werden wat sneller.
Maar nadat de eerste twee rijen met struiken voorbij waren, zag ze de steen. Nog steeds zo imposant en mooi als de eerste keer dat ze hem zag. De tijd heeft geen grip op graniet.
Het losse vuil was er zo afgeborsteld. Daarna nog even flink schrobben en ook alle aangekoekte vlekjes waren verdwenen. Toen ze klaar was, keek ze even naar haar werk. Het glom weer als vanouds. Het was netjes zo.
Ze begon haar spulletjes op te ruimen. Doekje uitspoelen, droogdoek opvouwen, water weggooien. Maar weg gaan kon ze nog niet. Nog even niet.
Zittend op het gras keek ze om zich heen. Verstopt tussen de rijen met struiken zat ze uit het zicht van andere mensen die daar rondliepen. De vogels floten om het mooist. Alsof ze zongen "kijk naar mij", "zoek mij". Maar zolang ze bleef zitten waar ze zat, zag ze geen enkele vogel.
Na een tijdje was het goed. Stond ze op, droogde haar tranen en ging naar huis. Weg van de groene rust.